Het contact tussen burgers en de overheid moet eenvoudiger, sneller en minder frustrerend worden. Dat is de ambitie van staatssecretaris Eric van der Burg, verantwoordelijk voor het dossier Slagvaardige Overheid. Hij kiest voor een aanpak die begint bij vier specifieke ministeries en die, als het aan hem ligt, elk jaar terugkeert in de vorm van een nieuwe wet. De vraag is of dat tempo haalbaar is, nu het kabinet zijn eigen eerste doelstelling al niet heeft gehaald.
Vier ministeries als startpunt
De vereenvoudigingsoperatie richt zich in de eerste ronde op vier departementen: het Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Ministerie van Klimaat en Groene Groei, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Dat schrijft Van der Burg in een brief aan de Tweede Kamer. Het gaat daarin nadrukkelijk om technische wetswijzigingen, niet om fundamentele herzieningen van bestaande stelsels.

De keuze voor deze vier ministeries is veelzeggend. Juist bij Justitie en Veiligheid en Volkshuisvesting lopen burgers dagelijks tegen ingewikkelde procedures aan, bijvoorbeeld bij vergunningaanvragen of juridische procedures. Bovendien raken regels op het gebied van klimaat en onderwijs miljoenen mensen direct in hun dagelijks leven. Door hier te beginnen, wil het kabinet aantonen dat de aanpak concreet en merkbaar is.
Jaarlijkse wet als vaste structuur
De kern van het plan is een zogeheten vereenvoudigingswet die elk jaar opnieuw verschijnt. Daarin bundelt het kabinet alle wijzigingen die ministeries willen doorvoeren, maar waarvoor de wet formeel moet worden aangepast. Op die manier ontstaat er een vaste cyclus van regelverlichting, in plaats van incidentele ingrepen die verstoffen in een la. Van der Burg wil daarmee een cultuuromslag bewerkstelligen: versimpelen als standaardpraktijk, niet als uitzondering.
Daarnaast stelt de staatssecretaris voor om de behandelingstijd van deze wetten fors te verkorten. Burgers krijgen vier weken om ideeën in te dienen, tegenover de gebruikelijke zes weken bij gewone wetgeving. Ook adviescolleges zoals de Raad van State krijgen minder tijd om te reageren. Daardoor kan een vereenvoudigingswet al na één jaar in werking treden, in plaats van de gebruikelijke twee jaar. Die versnelling is bewust: hoe langer een wet in de pijplijn zit, hoe groter de kans dat urgentie wegebt.

Doel gemist, maar ambitie blijft
Het kabinet had zichzelf voor de zomer van 2026 een ambitieus doel gesteld: vijfhonderd regels vereenvoudigen. Dat doel is niet gehaald. Uiteindelijk werden iets meer dan vierhonderd regels vereenvoudigd. Dat is een tekort van bijna twintig procent ten opzichte van de eigen belofte. Van der Burg noemt dit cijfer in zijn brief aan de Kamer, maar verbindt er geen harde conclusies aan over de haalbaarheid van toekomstige doelen.
Toch geeft het gemiste doel wel aanleiding tot vragen. Het versimpelen van overheidsregels klinkt logisch en breed gedragen, maar de praktijk blijkt weerbarstig. Elke wijziging vereist interdepartementaal overleg, juridische toetsing en politieke steun. Bovendien beschermen veel regels rechten van burgers of bedrijven, waardoor schrappen of aanpassen altijd zorgvuldigheid vraagt. Dat maakt snelheid structureel moeilijk.
Financiële prikkel vanuit coalitieakkoord
Achter de versimpelingsambitie schuilt ook een financiële drijfveer. In het coalitieakkoord van D66, VVD en CDA staat dat een efficiëntere overheid elk jaar tot 400 miljoen euro kan opleveren. Die besparing komt niet alleen uit minder papierwerk, maar ook uit goedkopere uitvoering bij overheden en uitvoeringsorganisaties. Hoe groot de opbrengst van de eerste vereenvoudigingswet concreet moet zijn, vermeldt de brief van Van der Burg echter niet.

De potentiële besparing van 400 miljoen euro is daarmee vooralsnog een verwachting uit het coalitieakkoord, geen gegarandeerde uitkomst. Hoeveel de afzonderlijke wetten moeten bijdragen aan dat bedrag, blijft onduidelijk. Dat maakt het lastig om de voortgang te meten en de ambities te verantwoorden richting de Tweede Kamer en de samenleving.
Merkbaar voor burgers en uitvoerders
Voor gewone burgers moet de aanpak merkbaar zijn in de manier waarop zij zaken regelen met de overheid. Denk aan minder formulieren bij een vergunningaanvraag, eenvoudigere procedures bij het aanvragen van toeslagen of kortere doorlooptijden bij bezwaar en beroep. Ook uitvoeringsorganisaties, die dagelijks werken met complexe wet- en regelgeving, profiteren als wetten begrijpelijker en consistenter worden. Van der Burg benadrukt dat het contact met de overheid voor iedereen eenvoudiger moet worden.
Bovendien raakt regeldruk niet alleen burgers. Gemeenten, provincies en uitvoeringsinstanties besteden enorme hoeveelheden tijd en geld aan naleving van ondoorzichtige regels. Versimpeling op nationaal niveau heeft daardoor een directe doorwerking op lagere overheden en publieke organisaties. Dat vergroot het maatschappelijke belang van de aanpak aanzienlijk, ook al gaat het in eerste instantie om technische wetswijzigingen.
Volgende stap richting Kamer
De Tweede Kamer ontvangt de brief van Van der Burg op 7 september 2026. De verwachting is dat de Kamer de plannen de komende weken bespreekt en mogelijke vragen stelt over het gemiste doel en de financiële onderbouwing. Als de eerste vereenvoudigingswet inderdaad de verkorte procedure volgt, zou die al binnen een jaar in werking kunnen treden. Dat zou betekenen dat burgers en uitvoerders al in 2027 de eerste concrete effecten merken van wat het kabinet nu in gang zet.
Bronnen en credits
Bronnen: Ditjes & Datjes, Nieuws.nl







